Marokkaanse film over geloof en vrijheid al voor première onder vuur
De Marokkaanse film Verstoten uit Gods genade van regisseur Hisham Al-Asri ligt onder vuur nog voor hij in de bioscoop draait. De trailer is aangeboden aan de procureur-generaal in Casablanca, meldt Hespress, na een klacht van de organisatie Cinéma Printemps wegens vermeende belediging van de islam.
Klacht voor de première
De organisatie Cinéma Printemps stelt dat de trailer “ernstige belediging van moskeeën en de Koran” bevat. Specifiek wijzen zij op een scène waarin iemand “de duivel” uitbeeldt in een ruimte die op een moskee lijkt, vergezeld van Engelstalige vloeken. De beelden werden doorgestuurd naar de procureur-generaal bij het gerechtshof in Casablanca. De film was op dat moment nog niet publiekelijk vertoond.
Al-Asri reageert nuchter. Hij zegt niet bang te zijn voor de campagne, maar wil haar ook geen “zuurstof geven die haar zou kunnen vergroten.” Zijn bezwaar zit niet in juridische verantwoording, maar in wat hij omschrijft als pogingen hem ter verantwoording te roepen voor “ideeën en bedoelingen” en “ongegronde takfiri-retoriek.”
Tien jaar werk
De film is het resultaat van tien jaar ontwikkeling. Al-Asri, die naast filmmaker ook een juridische achtergrond heeft, benadrukt dat formele censuur vooraf op films in Marokko niet bestaat. Elke film doorloopt een vergunningsprocedure bij een bevoegde commissie, en die wet is uiteindelijk doorslaggevend. Hij onderscheidt cinema bewust van televisie: televisie bereikt huiskamers en heeft andere regels, cinema is een zelfstandig kunstdomein.
Voor Al-Asri staat er meer op het spel dan zijn eigen film. In trainingen voor beginners merkt hij dat jonge filmmakers aarzelen of ze gevoelige onderwerpen mogen aansnijden. Zijn antwoord: kunst gaat om vrijheid en verantwoordelijkheid, zonder vooropgestelde agenda’s.
Steun uit het vak
Scenarioschrijver en regisseur Abdel-Ilah Al-Jawahri schaart zich achter de film. Hij noemt Verstoten uit Gods genade een werk “dat het waard is om te zien en opnieuw te zien”, niet alleen vanwege intellectuele moed maar ook om de filmische stijl met “nauwkeurige techniek en beelddiepte.” Al-Jawahri zegt niets te zien wat dit tumult rechtvaardigt. Het protest zou beter gericht zijn op wat hij omschrijft als echte maatschappelijke lelijkheid: “geweld, marginalisering, dakloze kinderen.”
Zijn conclusie is scherp. De film kan gelovigen niet van gedachten doen veranderen of uit hun “paradijs van geloof verdrijven.” Wat Al-Asri en zijn werk ondergaan, weerspiegelt volgens Al-Jawahri een oud conflict: tussen makers van gedurfde cinema en voorstanders van “schone cinema” in simplistische zin.
Oud gevecht, nieuwe ronde
Marokko heeft een levendige filmindustrie met internationale erkenning, maar de grenzen van artistieke vrijheid worden met regelmaat getest. De vraag is niet of Al-Asri juridisch kwetsbaar is, maar of de druk van voor de première al zijn doel bereikt heeft. De film speelt in de bioscoop. Het debat erover is al begonnen.